Studierichting.
Het is eind jaren ’70. Ik ben 17 jaar en zit op het VWO. De opleiding verloopt heel soepel. Ikzelf en ook mijn ouders zijn er blij mee. Zij hebben me op het hart gedrukt om mijn talenten te gebruiken, deze goed in te zetten. Vooral mijn vader, een lieve man, met een goed stel hersens, is erop gebrand, dat ik de opleiding volg die ik wil en qua niveau aankan.
Maar wat zal ik gaan studeren? Ik heb een brede belangstelling. Als ik naar m’n vakkenpakket kijk vind ik met name economie reuze interessant. Ik heb hierover een gesprek met mijn ouders. Mijn vader stelt voor dat ik me eerst nog laat testen. Dat kan via school, een soort gecombineerd iets waarbij zowel je IQ als je belangstelling wordt gepeild. Daar hoef ik niet lang over na te denken. Nou dat lijkt me wel iets antwoord ik.
En zo gebeurt het. Ik doe allerlei testjes, maak een tekening van een boom, geen idee waarvoor. Maar goed, ik doe het wel, en sluit het gebeuren af met een gesprek met een psycholoog, die mij een aantal persoonlijke vragen stelt.
De uitslag van de test krijg ik niet zelf. Die wordt tijdens een gesprek van mijn ouders met diezelfde psycholoog aan hen uitgereikt. Ik ben daar niet bij. Ik vermoed dat dat in deze tijd anders gaat en dat kind en ouders nu gezamenlijk zo’n gesprek met een deskundige voeren. Maar toen dus niet. Ik wacht buitengewoon nieuwsgierig op hen.
Miek, zegt mijn vader na thuiskomst, je bent bovengemiddeld intelligent. Ik denk, leuk, maar dat wist ik al, wat was er verder allemaal gezegd. Mijn moeder vervolgt. Die psycholoog denkt dat het misschien beter is als je niet economie gaat studeren maar bijvoorbeeld rechten. Huh, reageer ik, waarom dat zo? Nou, zegt ze, omdat economie echt een studie is die vooral door jongens wordt gevolgd, en jij bent een echt meisje vinden wij en dat vindt ook die psycholoog. Hij denk dat je eenzaam zou worden tussen al die jongens bij de studierichting economie en vindt het daarom wel iets voor je om rechten te gaan studeren. Je vader en ik vinden dat plan ook niet zo’n slecht idee. Dat zou je bijvoorbeeld in Utrecht kunnen doen, is ook dichter bij ons dan Rotterdam. Denk er maar eens over na.
Ik hoef er niet lang over te dubben. Al zij denken dat dit beter is dan ga ik dat toch doen. Ik vind het ook best griezelig om naar Rotterdam te vertrekken en gelijk zo’n eind van huis te gaan.
En zo gebeurt het dat ik rechten in Utrecht ga studeren. Ik heb gelukkige jaren daar. Maar, hoewel ik de rechtenstudie heel leuk vind, krijg ik toch de meeste inspiratie van de economische vakken. Gelukkig blijk je in Utrecht recht en economie te kunnen combineren en ik kies ervoor om af te studeren in de richting bedrijfs- en sociaal economisch recht. Ik weet tijdens mijn studie al snel dat ik niet de advocatuur in wil, maar iets met mensen en bedrijven wil gaan doen. Dat komt inderdaad ook zo uit. Ik zal uiteindelijk zo’n 35 jaar het bedrijfsleven (financieel) adviseren en de helft van die jaren zal ik dat combineren met managementfuncties. Ik heb vrijwel mijn hele werkzame leven in de bancaire sector doorgebracht. Een “echte mannenwereld”. Er zijn wel vrouwelijke collega’s maar die hebben vrijwel allemaal een staf-achtige functie. In de tak van sport die ik beoefen, kom ik nauwelijks vrouwen tegen. Geen probleem. Ik heb me altijd als een visje in het water gevoeld en heb graag “met de jongens het spel gespeeld”.
Ik moet nog vaak denken aan die psycholoog met zijn advies voor het “echte meisje”. Ik heb er geen spijt van dat het gelopen is zoals het liep, maar denk wel, dat als ik een jongen was geweest, ik gewoon economie was gaan studeren. En ook nu nog kijk ik wat verbaasd naar mezelf als 17 jarige die zich gelijk liet ompraten en rechten ging volgen, om vervolgens toch uiteindelijk weer teug te komen bij datgene wat ik wilde, economie.
Wat “echte meisjes” zijn in onze beeldvorming zal ik uitleggen in een van de komende blogs.

